ECLI:NL:CRVB:2016:3020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.C.R. Schut
- A. Stehouwer
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en boete wegens niet-melding op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellante ontving bijstand sinds 2009 en werd onderzocht vanwege vermoedens van niet-gemelde werkzaamheden. De gemeente Rotterdam trok de bijstand in over de periode 2010-2013 en vorderde €52.007,69 terug, wegens schending van de inlichtingenplicht. Tevens werd een boete opgelegd van €52.010, die later werd verlaagd tot €40.230.
De rechtbank stelde de boete vast op €4.310, oordelend dat de gedragingen opzettelijk waren. Appellante stelde in hoger beroep dat haar werkzaamheden een vriendendienst waren zonder betaling, en dat zij dus geen inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren, ongeacht intentie of daadwerkelijke inkomsten, en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Er was sprake van grove schuld, maar geen opzet. Daarom werd de boete vastgesteld op €3.530, passend en evenredig. De intrekking en terugvordering werden bevestigd. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de boete wordt vastgesteld op €3.530 wegens grove schuld zonder opzet.