ECLI:NL:CRVB:2016:3023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering ondanks persoonlijke zorgverplichting
Appellant, een bijstandsgerechtigde, vroeg een langdurigheidstoeslag aan op grond van de WWB. Het dagelijks bestuur weigerde deze toeslag omdat appellant niet voldeed aan het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering', aangezien hij geen bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving.
Appellant voerde aan dat hij als voormalig vluchteling geen uitzicht op inkomensverbetering had en dat hij niet studeerde omdat hij voor zijn ouders zorgde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het beleid omtrent het begrip 'geen uitzicht op inkomensverbetering' niet onredelijk was.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het beleid van het dagelijks bestuur te strikt was en dat een individuele beoordeling vereist is. Desondanks concludeerde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen uitzicht op inkomensverbetering had, omdat zijn tijdelijke situatie het gevolg was van een persoonlijke keuze om voor zijn ouders te zorgen.
De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde het gebrek in de motivering van het bestreden besluit, omdat appellant hierdoor niet werd benadeeld. Ook was er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd omdat appellant geen aannemelijk gemaakt uitzicht op inkomensverbetering had.