ECLI:NL:CRVB:2016:3129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
Appellante, woonachtig in Polen, vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot die in Nederland had gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat uit onderzoek bleek dat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Dit oordeel was gebaseerd op medisch onderzoek door een Poolse verzekeringsarts en een Nederlandse arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond wegens onvoldoende motivering van de Svb, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet persoonlijk door een Nederlandse arts was onderzocht en dat haar arbeidsongeschiktheid hoger was dan vastgesteld.
De Raad oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd volgens het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en dat het Europees recht toestaat dat een arts in het woonland de medische toestand vaststelt. De vastgestelde functies en het Nederlandse maatmaninkomen zijn passend en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn terecht vastgesteld.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.