Uitspraak
17.4938 ANW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Na het overlijden van haar echtgenoot kreeg appellante vanaf februari 2008 een nabestaandenuitkering omdat haar jongste kind tot haar huishouden behoorde en jonger was dan achttien jaar. Toen het kind op 2 mei 2016 achttien werd, trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 juni 2016 in. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Het UWV voerde een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit en adviseerde de Svb dat appellante niet als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW kon worden aangemerkt.
De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel. De rechtbank oordeelde dat de Svb niet verplicht was ambtshalve een arbeidsongeschiktheidsonderzoek te verrichten en dat appellante voldoende was geïnformeerd over het beëindigen van de uitkering. Het onderzoek door het UWV werd als zorgvuldig en volledig beoordeeld, en er was geen sprake van privacy-schending door de Svb.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder de stelling dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de privacy was geschonden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedroeg. De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de intrekking van de uitkering.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.