ECLI:NL:CRVB:2016:3133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking en gezagsverhouding
Appellant, een registeraccountant, was via zijn persoonlijke vennootschap betrokken bij een managementovereenkomst met een N.V. na een herstructurering. Hij vroeg een WW-uitkering aan na ontbinding van deze overeenkomst door faillissement. Het UWV weigerde de uitkering omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking door het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de relatie tussen appellant en de N.V. niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat hij wel degelijk onder gezag stond, onder meer omdat hij tegen zijn wil ontslagen kon worden en verwees naar een brief van de Belastingdienst en het gelijkheidsbeginsel.
De Raad concludeerde dat partijen bewust hadden gekozen voor een overeenkomst van opdracht en geen arbeidsovereenkomst, waarbij het ontbreken van een gezagsverhouding doorslaggevend is. De brief van de Belastingdienst bood onvoldoende bewijs en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare gevallen ook onterecht uitkering ontvingen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant geen werknemer was in de zin van de WW wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.