ECLI:NL:CRVB:2016:3208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde arbeid
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het college trok deze bijstand in en vorderde bedragen terug wegens het verrichten van niet gemelde op geld waardeerbare arbeid in een bedrijf. Uit onderzoek bleek dat appellante regelmatig werkzaamheden verrichtte, waaronder het bedienen van hapjes en het gereedmaken van het buffet. Appellante voerde aan dat zij deze werkzaamheden verrichtte ter ondersteuning van haar resocialisatie en dat het recht op bijstand op basis van openingstijden van het bedrijf vastgesteld kon worden.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren, ongeacht de intentie van appellante, en dat zij de inlichtingenverplichting had geschonden door deze niet te melden. Echter, de Raad stelde vast dat het college de aanvullende bijstand schattenderwijs had moeten vaststellen op basis van de openingstijden en de aard van de werkzaamheden, wat niet was gebeurd. Hierdoor kon het bestreden besluit niet in stand blijven.
Appellante stelde ook dat terugvordering wegens haar psychische achteruitgang onredelijk was, maar dit werd verworpen omdat geen causaal verband was aangetoond. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en droeg het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.