ECLI:NL:CRVB:2016:3237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- E. Dijt
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken evidente wijziging in arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft in 2008 geen recht op een WIA-uitkering gekregen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2013 heeft het UWV een onderzoek ingesteld. De verzekeringsarts concludeerde dat de toename voortkwam uit een andere ziekteoorzaak dan de oorspronkelijke, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat er wel sprake was van een toename van beperkingen en dat de verzekeringsarts onjuist had geoordeeld. Hij bracht medische informatie in van diverse behandelaars en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt zorgvuldig en gemotiveerd had onderbouwd. Er was geen sprake van een evidente verslechtering van de beperkingen sinds 2008. De medische informatie bevestigde de langdurige klachten zonder duidelijke toename op de relevante datum. De Raad zag geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te verwerpen of een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken van een evidente toename van arbeidsongeschiktheid.