ECLI:NL:CRVB:2016:3329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- B.M. van Dun
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden als zelfstandige
Appellante ontving een WW-uitkering vanaf april 2012, waarbij zij toestemming kreeg om tijdelijk als zelfstandige te werken met een verlaging van haar uitkering. Na een steekproef constateerde het Uwv dat appellante ook na de startperiode bleef werken als zelfstandige, zonder dit te melden. Hierdoor werd haar WW-uitkering herzien en teruggevorderd over de periode van februari tot juli 2014 en werd een boete opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond door de boete te matigen, maar bevestigde de herziening en terugvordering. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet als zelfstandige had gewerkt en dat er redenen waren om af te zien van terugvordering en boete. De Raad oordeelde dat appellante door het niet melden van haar werkzaamheden zelf onzekerheid veroorzaakte en dat zij haar hoedanigheid als werknemer had verloren.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de boete betrof en schrapte deze volledig vanwege persoonlijke omstandigheden van appellante. De herziening en terugvordering van de WW-uitkering bleven gehandhaafd. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en griffierechten.
Uitkomst: De boete wordt geheel geschrapt, de herziening en terugvordering van de WW-uitkering blijven gehandhaafd.