ECLI:NL:CRVB:2016:334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over erfenis in Turkije
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd onderzocht door de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam vanwege vermoedens over haar vermogen in Turkije. Zij meldde pas maanden na het overlijden van haar moeder dat zij aanspraak maakte op een erfenis, waaronder een huis in Turkije. Ondanks verzoeken verstrekte zij geen leesbare en vertaalde documenten over het eigendom en de waarde van het huis.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam schortte de bijstand op en trok deze later in wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellante stelde dat zij de erfenis nog niet had aanvaard en niet over de middelen beschikte om naar Turkije te reizen voor documenten, en dat haar vermogen onder de vermogensgrens lag.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting niet tijdig en volledig was nagekomen, dat het college terecht de bijstand introk op grond van artikel 54 WWB Pro, en dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij recht op bijstand had. De belangenafweging was niet aan de orde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting over het vermogen in Turkije.