ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op bijstand en schending inlichtingenverplichting bij kasstortingen en opnamen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam vroeg diverse documenten en inlichtingen over kasstortingen en opnamen op de bankrekening van appellant. Na weigering deze te verstrekken, schortte het College het recht op bijstand op en trok het deze later in.
Appellant stelde dat hij voldoende informatie had verschaft en dat het College geen reden had om bankafschriften op te vragen. De Raad oordeelde dat het College bevoegd was om deze informatie te verlangen en de bijstand op te schorten bij weigering. Hoewel appellant binnen de gestelde termijn alsnog een verklaring gaf, vond het College deze onaannemelijk en trok het de bijstand in.
De Raad stelde vast dat de intrekking berustte op een onjuiste wettelijke grondslag omdat het College de opschorting niet correct had gehandhaafd. De intrekking zelf was echter gerechtvaardigd omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door de wisselende en onvoldoende verklaringen van appellant. De Raad vernietigde het besluit tot handhaving van de intrekking, verklaarde het beroep gegrond en liet de rechtsgevolgen van de intrekking in stand. Het College werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de handhaving van de intrekking, waarbij de intrekking zelf in stand blijft en het College wordt veroordeeld in de proceskosten.