Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 2 juli 2012 waarin haar recht op een WAO-uitkering werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep deed op 11 maart 2016 een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het besluit onvoldoende medisch was gemotiveerd, met name ten aanzien van haar psychische beperkingen.
Naar aanleiding hiervan heeft het UWV aanvullend onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts concludeerde dat appellante op de datum van beoordeling wel psychische beperkingen had, maar dat zij beperkt was tot werk zonder deadlines en zonder verhoogd persoonlijk risico. De arbeidsdeskundige stelde dat appellante ondanks deze beperkingen de geselecteerde functies kon vervullen.
De Raad oordeelde dat het UWV hiermee het gebrek uit de tussenuitspraak had hersteld en het besluit toereikend had gemotiveerd. Appellante heeft dit niet bestreden. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.