Appellant, werkzaam als keukenmedewerker, viel vanaf 2009 uit wegens lichamelijke en psychische klachten en vroeg in 2011 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant per 24 augustus 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende medische onderbouwing van de psychische beperkingen, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat opnieuw werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen werden onderschat, met name zijn psychische klachten en de impact van zijn behandeling. De Raad concludeerde echter dat appellant zijn standpunt onvoldoende onderbouwde met objectieve medische gegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een gedegen rapport opgesteld waarin beperkingen en urenbeperking werden vastgesteld, rekening houdend met de psychische klachten.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld en dat appellant daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en het beroep werd ongegrond verklaard.