ECLI:NL:CRVB:2016:397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering bij verhuizing naar Portugal
Appellante ontvangt sinds 1991 een Wajong-uitkering wegens psychische klachten en verzocht het UWV om toestemming om met behoud van deze uitkering naar Portugal te verhuizen. Dit verzoek werd in 2011 en opnieuw in 2013 afgewezen, waarbij het UWV stelde dat er geen medische noodzaak was voor de verhuizing. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar echtgenoot om medische redenen naar Portugal moest verhuizen en dat zij voor zijn verzorging afhankelijk van hem is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen zwaarwegende redenen waren om de hardheidsclausule toe te passen. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat de verhuizing van de echtgenoot een eigen keuze is zonder objectieve medische noodzaak en dat appellante geen bewijs heeft geleverd van wederzijdse verzorgingsafhankelijkheid.
Verder concludeert de Raad dat het niet toepassen van de hardheidsclausule geen schending vormt van het recht op familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Ook is er geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling ten opzichte van andere uitkeringsgerechtigden. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de Wajong-uitkering mee te nemen bij verhuizing naar Portugal.