Uitspraak
OVERWEGINGEN
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als postsorteerder en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat zij ongeschikt was voor haar eigen werk maar nog benutbare mogelijkheden had, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Het UWV stelde vast dat appellante vanaf 8 mei 2014 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij met passend werk meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar dermatologische klachten onvoldoende waren onderzocht.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig was verricht, waarbij rekening was gehouden met lichamelijke en psychische klachten, en dat de beperkingen in de FML adequaat waren gemotiveerd. De aanvullende medische informatie gaf geen aanleiding het standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist te houden. Ook de arbeidsdeskundige had de functies passend bij de belastbaarheid van appellante toereikend gemotiveerd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer had op ziekengeld. Er was geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten of kosten in bezwaar omdat het primaire besluit niet was herroepen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 8 mei 2014.