ECLI:NL:CRVB:2016:4135

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2016
Publicatiedatum
28 oktober 2016
Zaaknummer
15-1378 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WIA-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan een specialistisch onderzoek. Het UWV had haar aanvraag afgewezen en het betaalde voorschot teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij gegronde redenen had voor haar weigering tot medewerking. Het UWV stelde dat zij alsnog medewerking had verleend en dat een medisch en arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden, waarna werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

De Raad beoordeelde vervolgens of appellante nog procesbelang had bij haar hoger beroep, nu het UWV inmiddels een inhoudelijke beslissing had genomen. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang aanwezig als de indiener met het hoger beroep daadwerkelijk het beoogde resultaat kan bereiken. Omdat het onderzoek inmiddels had plaatsgevonden en een beslissing was genomen, had appellante geen belang meer bij een uitspraak op haar hoger beroep.

De Raad wees een eerdere uitspraak van 8 juli 2015 aan als niet relevant voor deze situatie. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2016.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

15/1378 WIA
Datum uitspraak: 28 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 januari 2015, 14/8669 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Namens appellante is daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Appellante is, zoals zij had bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 21 maart 2014 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per
29 november 2013 is afgewezen omdat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan een specialistisch onderzoek.
1.2.
Bij besluit van 24 maart 2014 is het aan haar betaalde voorschot van € 4.515,58 van haar teruggevorderd.
1.3.
Het door appellante gemaakte bezwaar tegen deze besluiten is bij beslissingen op bezwaar van 4 augustus 2014 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij een gegronde reden had om niet (langer) mee te werken aan het onderzoek.
3.2.
Het Uwv heeft gesteld dat appellante heeft aangeboden mee te werken aan een onderzoek. Naar aanleiding daarvan heeft alsnog een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 15 september 2015 is appellante meegedeeld dat zij per
29 november 2013 geen WIA-uitkering kan krijgen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
4. De Raad zal allereerst beoordelen of appellante nog belang heeft bij een uitspraak op haar hoger beroep, nu het Uwv inmiddels een inhoudelijke beslissing heeft genomen op haar aanvraag om een WIA-uitkering.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het hoger beroepschrift met het indienen van het hoger beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864).
4.2.
Wat appellante kan bereiken is, dat er alsnog een onderzoek plaatsvindt naar haar medische situatie en haar eventuele recht op een WIA-uitkering. Uit het besluit van
15 september 2015 blijkt dat een dergelijk onderzoek inmiddels heeft plaatsgevonden en dat een beslissing is genomen over haar recht op WIA-uitkering. Appellante heeft dus al bereikt wat zij met het hoger beroep zou kunnen bereiken. Dit betekent dat zij geen belang meer heeft bij een uitspraak op haar hoger beroep.
4.3.
Ter zitting heeft het Uwv gewezen op rechtspraak van de Raad (bedoeld is de uitspraak van 8 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2510). Deze uitspraak ziet op een andere situatie en leidt dus niet tot een andere conclusie.
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en
I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) A.M.C. de Vries

NW