Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:416

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2016
Publicatiedatum
4 februari 2016
Zaaknummer
14/6545 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen van besluit UWV over verrekening arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het UWV zijn Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering verrekent met zijn WAO- en WAZ-uitkeringen. Het UWV had eerder het besluit van 8 januari 2009 genomen waarbij de uitkeringen waren vastgesteld en verhoogd, zonder dat daartegen bezwaar was gemaakt.

Het verzoek van appellant om terug te komen op dat besluit werd door het UWV geweigerd omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond en oordeelde dat artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich verzet tegen inhoudelijke heroverweging zonder nieuwe feiten.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukt dat appellant zijn bezwaren eerder had moeten aanvoeren en dat er geen nieuwe feiten zijn die heroverweging rechtvaardigen. Eerder werd ook al geoordeeld dat de bezwaren van appellant geen steun vinden in de wet- en regelgeving, en een cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak, waarmee het verzoek van appellant wordt afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit van 8 januari 2009 wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

14/6545 WAZ
Datum uitspraak: 27 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 oktober 2014, 14/2664 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1
Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het Uwv de uitkeringen van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) verhoogd, en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld 80-100%. Tevens is bij dat besluit een berekening gevoegd van de uitkering. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte vaststaat.
1.2.
Bij brief van 4 november 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het Uwv zijn Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering, die appellant ontvangt van de Christelijke Mutualiteitsuitkering, verrekent met zijn WAO- en WAZ-uitkeringen. Deze brief is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 8 januari 2009. Bij besluit van 18 december 2013 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 9 (lees:8) januari 2009.
1.3.
Het door appellant tegen het besluit van 18 december 2013 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 28 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die er toe zouden leiden dat het besluit van 8 januari 2009 niet in stand zou kunnen worden gelaten.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die tot heroverweging van het besluit van 8 januari 2009 nopen. Appellant had zijn bezwaren eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Het Uwv heeft het verzoek van appellant terecht met een beroep op artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant wederom bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop zijn Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verrekend met zijn WAO- en
WAZ-uitkering.
4.1.
De Raad overweegt als volgt.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank dat artikel 4:6 van Pro de Awb zich verzet tegen een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van appellant om terug te komen het besluit van
8 januari 2009 wordt volledig onderschreven. Appellant had zijn bezwaren tegen dat besluit eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aan appellant niet bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn.
4.3.
Eveneens in navolging van wat de rechtbank heeft overwogen wordt nog opgemerkt dat appellant zijn inhoudelijke bezwaren tegen de wijze van berekening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering diverse malen bij het Uwv, als ook in rechte aan de orde heeft gesteld. Bij zijn uitspraak van 20 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5373) heeft de Raad overwogen dat voor die bezwaren geen steun in de wet- en regelgeving is te vinden. Het cassatieberoep tegen die uitspraak is bij arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:2013:177) door de Hoge Raad ongegrond verklaard.
4.4.
Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2016.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M.A.E. Adamsson

AP