ECLI:NL:CRVB:2016:4168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als kwaliteitsmedewerker en meldde zich met terugwerkende kracht ziek per 30 juli 2005. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 28 juli 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld en de medische stukken die appellante overlegde betrekking hadden op een latere datum dan de peildatum.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en overhandigde zij aanvullende medische stukken. De Raad oordeelde dat de medische situatie op 28 juli 2007 moeilijk te bepalen was vanwege het ontbreken van tijdige medische informatie. De verzekeringsarts had beperkingen vastgesteld in het functioneren, vooral door persoonlijkheidsproblematiek en depressieve episodes, maar vond geen aanwijzingen dat appellante toen volledig arbeidsongeschikt was.
De Raad concludeerde dat er geen twijfel bestond over de juistheid van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juli 2013 en dat appellante medisch geschikt was voor de geselecteerde functies. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 28 juli 2007.