ECLI:NL:CRVB:2016:4172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbende en ontvankelijkheid bij jeugdhulpbesluit na ontheffing gezag
Appellante, moeder van de jeugdige die sinds 2009 uit huis is geplaatst en van wie zij in 2009 het ouderlijk gezag is ontnomen, maakte bezwaar tegen een besluit van bureau jeugdzorg dat jeugdhulp voor de jeugdige indicieerde. Bureau jeugdzorg verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat appellante geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet leidt tot verval van het primaire besluit en dat appellante geen recht heeft op een dwangsom.
In hoger beroep stelde appellante dat het beroep ten onrechte door de bestuursrechter en niet door de kinderrechter werd behandeld, dat het primaire besluit vervallen zou zijn door het niet tijdig beslissen, en dat zij als bloedverwant in de eerste graad wel belanghebbende zou zijn. De Raad oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg moet worden aangemerkt, dat de zaak terecht door de kinderrechter als bestuursrechter is behandeld, en dat het niet tijdig beslissen niet leidt tot verval van het besluit of recht op dwangsom.
De Raad bevestigde dat appellante geen belanghebbende is omdat zij is ontheven van het ouderlijk gezag en daardoor niet langer de plicht en het recht heeft de jeugdige te verzorgen en op te voeden. Het belang van appellante wordt daardoor niet rechtstreeks geraakt door het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar van appellante is kennelijk niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbende is.