ECLI:NL:CRVB:2016:4272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning hulp bij het huishouden op grond van de Wmo
Appellante, geboren in 1953, woont alleen en ondervindt beperkingen door een ongeval in 2009 met letsel aan het sleutelbeen. Na meerdere operaties en pijnbehandelingen is haar mobiliteit beperkt, met name in de rechterarm en rug. Op grond van een melding in juni 2014 heeft het college haar 3 uur per week hulp bij het huishouden toegekend, waarvan 30 minuten specifiek voor wasverzorging.
Appellante stelde dat deze tijd onvoldoende was, vooral voor de was en het schoonhouden van haar grote woning. Het college en de rechtbank oordeelden dat de toegekende uren in lijn zijn met de beleidsregels en dat de medische rapporten geen noodzaak voor extra tijd aantonen.
De Raad concludeert dat appellante, ondanks haar beperkingen, in staat is om lichte huishoudelijke taken zoals het sorteren en in- en uitladen van de wasmachine te verrichten. De 30 minuten voor wasverzorging dekt de activiteiten die zij niet kan uitvoeren. De door appellante overgelegde urenlijst geeft onvoldoende inzicht in de noodzaak van extra hulpuren.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om extra uren hulp bij het huishouden wordt afgewezen.