Uitspraak
OVERWEGINGEN
hebben”.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand met een toeslag van 20% als alleenstaande ouder. Het college verlaagde deze toeslag naar 10% omdat haar thuiswonende meerderjarige dochter inkomsten had uit studiefinanciering, inclusief een rentedragende lening, en uit arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de rentedragende lening niet als inkomen mag worden meegeteld omdat zij niet feitelijk werd ontvangen. De Raad stelde echter dat de rentedragende lening als een middel moet worden beschouwd waarover redelijkerwijs kan worden beschikt, en dat het niet gebruiken van de lening niet ten koste van de bijstand mag gaan.
Verder corrigeerde de Raad het inkomen uit arbeid van de dochter over september 2013 naar een lager bedrag, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst omdat het totale inkomen nog steeds boven het normbedrag lag. De Raad verwierp ook het beroep op de hardheidsclausule, omdat de geringe overschrijding van het normbedrag en het niet verzilveren van de lening een eigen keuze van de dochter betrof. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de toeslag bijstand van 20% naar 10% wordt bevestigd ondanks het feit dat de rentedragende lening niet feitelijk werd ontvangen.