ECLI:NL:CRVB:2016:4420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor ouderbijdrage bij opname kind in jeugdinrichting
Appellante, een alleenstaande ouder die bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een ouderbijdrage die zij moest betalen vanwege de opname van haar minderjarige dochter in een jeugdinrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af, stellende dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor schulden en dat de kosten grotendeels gedekt worden door de kinderbijslag en eigen middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante voerde aan dat de kosten niet onder de noodzakelijke kosten van het bestaan vallen en dat de kinderbijslag onvoldoende was om alle extra kosten te dekken. Ook stelde zij dat door schulden geen reserveringsruimte was voor de ouderbijdrage.
De Raad oordeelde dat de kosten zich wel voordoen en noodzakelijk zijn, maar dat niet is voldaan aan de voorwaarde van bijzondere omstandigheden. De kinderbijslag en bijstandsnorm boden voldoende middelen. Extra kosten door het verblijf van de dochter in de inrichting en het ontbreken van reserveringsruimte door schulden vormen geen bijzondere omstandigheden volgens vaste rechtspraak.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor de ouderbijdrage wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.