ECLI:NL:CRVB:2016:4479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing lening als vermogen bij tussentijdse vermogensvaststelling WWB
Appellant ontvangt sinds 1987 bijstand op grond van de WWB en woont op een woonwagenkamp. In 2013 voerde de gemeente Waalre een controle uit, waarna het college het vrij te laten vermogen van appellant vaststelde op €202,50. Na bezwaar stelde het college het vrij te laten vermogen bij besluit van 7 mei 2014 vast op €1.192,50, waarbij een bedrag van €3.500,- contant ontvangen van appellant's moeder niet als lening werd erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het bedrag wel een lening betrof, onderbouwd met verklaringen en terugbetalingen. De Raad oordeelde dat het bewijs onvoldoende was voor een afdwingbare terugbetalingsverplichting. De achteraf opgestelde verklaringen en bankafschriften boden geen objectief bewijs van een reële lening en terugbetalingen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 november 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd dat het bedrag van €3.500,- niet als lening wordt aangemerkt.