ECLI:NL:CRVB:2016:4506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, voormalig glazenwasser, meldde zich ziek met hoofdpijn, rug- en cognitieve klachten na ongevallen in 2011. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde daarom de WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat het UWV het opleidingsniveau onjuist had vastgesteld. Hij stelde dat een neuropsychologisch onderzoek nodig was en dat zijn slaapproblemen een urenbeperking rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende uitgebreid en zorgvuldig was, dat de klachten onvoldoende objectief waren vastgesteld en dat er geen nieuwe medische informatie was die het standpunt van het UWV ondermijnt.
De Raad bevestigde dat het opleidingsniveau terecht op niveau 2 was vastgesteld, gelet op het buitenlandse basisonderwijs en de werkervaring in Nederland. Er was geen aanleiding een deskundige aan te wijzen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.