Appellant was sinds 2010 werkzaam als productiemedewerker en vroeg in 2012 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen 35 en 80%. Later werd dit aangepast naar een WGA-vervolguitkering en vervolgens een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Werkgeefster maakte bezwaar tegen deze besluiten.
In 2016 stelde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage bij op minder dan 35% en beëindigde de loonaanvullingsuitkering per 15 april 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het opleidingsniveau onterecht op niveau 2 was vastgesteld en dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst voor de functies die hem werden aangeboden. Ook stelde hij dat de wijziging van de uitkering in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over het opleidingsniveau en de beëindiging van de uitkering juist en voldoende gemotiveerd was. Uit rapporten en zitting bleek dat appellant ten minste basisonderwijs en enkele jaren vervolgonderwijs had gevolgd volgens het Sri Lankaanse onderwijssysteem, wat opleidingsniveau 2 rechtvaardigt. Ook met beperkte taalvaardigheid kan appellant eenvoudige productiefuncties vervullen. De Raad bevestigde dat het UWV het besluit met inachtneming van de wettelijke termijnen heeft genomen en dat het beroep ongegrond is.