Uitspraak
26 november 2015, 15/960 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 8 september 2014 een aanvraag in voor bijstand na afloop van zijn WW-uitkering. Het college verzocht om diverse bankafschriften en een schriftelijke verklaring van de vermeende werkgever over het dienstverband en de laatste werkdag. Appellant leverde bankafschriften aan, maar geen verklaring van de werkgever. Het college stelde de aanvraag op 29 oktober 2014 buiten behandeling wegens het niet overleggen van deze verklaring.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hem een hersteltermijn was geboden via een derde partij, maar de Raad oordeelde dat het college ten onrechte artikel 4:5 Awb Pro toepaste omdat de gevraagde verklaring onderdeel was van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en niet van de aanvulling van een onvolledige aanvraag.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat appellant niet met objectieve en verifieerbare stukken zijn dienstverband kon aantonen. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot buiten behandeling stellen van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en de aanvraag wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht.