Appellante, laatst werkzaam als keukenassistente, ontving tot mei 2013 een WW-uitkering en meldde zich daarna ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat zij vanaf 22 juni 2014 met de geselecteerde functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen, waarna het UWV haar Ziektewetuitkering beëindigde.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functies passend waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met haar klachten, waaronder gynaecologische en psychische beperkingen, en dat de maatman onjuist was vastgesteld.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met dossierstudie en betrokkenheid van de behandelende sector. De psychische klachten waren meegenomen in de beoordeling en de arbeidsdeskundige had voldoende onderbouwd dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.