ECLI:NL:CRVB:2016:4844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens beschikking over erfenis
Appellante erfde samen met haar broer en zus twee woningen van haar moeder die in 2009 overleed. In 2014 ontving zij € 35.000 uit de verkoop van deze woningen. Gedurende de periodes van augustus 2011 tot februari 2012 en december 2012 tot januari 2014 ontving zij aanvullende bijstand. Het college stelde het vermogen bij de toekenning van de bijstand vast en hield rekening met een negatief vermogen en een vrij te laten bedrag.
Het college beëindigde de bijstand per 1 februari 2014 en vorderde de bijstand over de genoemde periodes terug, omdat appellante vanaf februari 2014 feitelijk beschikte over middelen uit de erfenis die zij tijdens de bijstandperiode al had kunnen aanwenden. Appellante voerde aan dat zij niet duidelijk was geïnformeerd over de terugvordering en dat haar vermogen niet juist was vastgesteld, maar kon dit niet onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad onderschreef dit oordeel. De Raad oordeelde dat het college terecht terugvorderde omdat de aanspraken op de erfenis ontstonden op het moment van overlijden van de moeder en appellante feitelijk over deze middelen kon beschikken tijdens de bijstandperiode. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat bijstand niet zou worden teruggevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens beschikking over erfenis.