Appellant ontving een WW-uitkering die door het UWV werd ingetrokken wegens vermeende werkzaamheden bij een werkgever van 1 februari tot en met 31 mei 2013, zonder dit te melden. Het UWV baseerde dit op loonbetalingen, een arbeidsovereenkomst en verklaringen van de werkgever. Appellant ontkende te hebben gewerkt en stelde dat sprake was van identiteitsfraude.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht naar de juistheid van de gegevens. Er waren tegenstrijdigheden in de loonbetalingen en verklaringen, en het UWV had geen betalingsbewijzen of belastingafdracht onderzocht. Ook waren verklaringen van ex-werknemers die appellant niet hadden gezien relevant.
De Raad stelde dat het UWV had moeten onderzoeken of appellant daadwerkelijk had gewerkt en dat op grond van de beschikbare gegevens niet aannemelijk was dat appellant in die periode bij de werkgever werkzaam was. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de eerdere besluiten vernietigd, behoudens voor de periode vanaf 22 juli 2013. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.