ECLI:NL:CRVB:2016:4960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant is sinds 12 juli 2010 arbeidsongeschikt wegens cardiale en musculoskeletale klachten. Het UWV stelde bij besluit van 12 juni 2012 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit in stand. Appellant meldde een verslechtering van zijn gezondheid per 18 november 2013, waarop het UWV bij besluit van 2 december 2014 opnieuw vaststelde dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische grondslag van het UWV-besluit. Appellant betwistte dit en stelde dat de beperkingen waren toegenomen en dat een deskundigenoordeel noodzakelijk was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de aanvullende medische informatie niet relevant was voor de in geschil zijnde data.
De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte de arbeidskundige beoordeling niet had meegewogen. Na inhoudelijke toetsing concludeerde de Raad dat appellant de voorgehouden functies kon vervullen zonder overschrijding van belastbaarheid. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit wordt bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.