ECLI:NL:CRVB:2016:5044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Bbz-uitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid levensvatbaarheid bedrijf
Appellante, een startende ondernemer in de schoonmaakbranche, vroeg een uitkering aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat het ondernemingsplan onvolledig was en onvoldoende marktonderzoek bevatte, waardoor de levensvatbaarheid van het bedrijf niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellante haar stellingen niet met objectieve gegevens onderbouwde. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat zij niet in de gelegenheid was gesteld haar plan toe te lichten. Tevens wees zij op een latere toekenning van een Bbz-uitkering in 2016 op basis van een nieuw ondernemingsplan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevatte en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van de levensvatbaarheid alleen de situatie ten tijde van het oorspronkelijke besluit (4 maart 2014) relevant is, zodat latere ontwikkelingen geen rol spelen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een Bbz-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van de levensvatbaarheid van het bedrijf.