ECLI:NL:CRVB:2016:5052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding na weigering loonsanctie door UWV bij WIA-uitkering
Appellant, een voormalig leraar in het basisonderwijs, vorderde materiële en immateriële schadevergoeding omdat het UWV naar zijn mening ten onrechte geen loonsanctie oplegde aan zijn werkgever, waardoor hij onterecht werd ontslagen en inkomensschade leed. Het UWV had eerder vastgesteld dat appellant vanaf 2 februari 2010 geen recht had op een WIA-uitkering, maar na een tussenuitspraak werd dit herzien en kreeg appellant alsnog recht op een WGA-uitkering.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over inkomens- en immateriële schade, maar het UWV handhaafde zijn standpunt dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schade het gevolg was van onrechtmatige besluiten van het UWV.
De Raad overwoog dat het recht op schadevergoeding beoordeeld moest worden naar het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het UWV onrechtmatig had gehandeld door geen loonsanctie op te leggen, mede omdat er sprake was van een arbeidsconflict en onderhandelingen over ontslag. Ook werd geen verband vastgesteld tussen de aanvankelijke weigering van de WIA-uitkering en inkomensschade. Evenmin was er bewijs voor geestelijk letsel of aantasting van eer en goede naam. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; geen schadevergoeding toegekend.