Appellant was werkzaam als assistent filiaalhouder en meldde zich ziek met psychische klachten, waaronder spanningsklachten en een depressieve stoornis. Het UWV beëindigde het recht op ziekengeld per 3 juli 2013, waarna appellant bezwaar maakte en het recht op ziekengeld werd hersteld per 11 juli 2013, maar vervolgens weer ingetrokken per 29 juli 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit van het UWV en stelde vast dat appellant vanaf 30 juli 2013 geen recht meer had op ziekengeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde, die de psychische belastbaarheid als licht beperkt inschatte, terwijl een door appellant ingeschakelde verzekeringsarts een matige tot ernstige depressieve stoornis vaststelde met aanzienlijke beperkingen.
De Raad stelde vast dat de bedrijfsarts en verzekeringsarts het criterium verkeerd toepasten door te beoordelen of werk gecontra-indiceerd was, terwijl het objectief medisch vast te stellen ongeschikt zijn voor de laatst verrichte arbeid centraal staat. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat appellant ook vanaf 30 juli 2013 recht heeft op ziekengeld. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.