ECLI:NL:CRVB:2024:1684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor laatst verrichte arbeid en geselecteerde functies
Appellant werkte als medewerker bagage en viel uit in mei 2017 waarna een ZW-uitkering werd toegekend. Na een eerstejaars ZW-beoordeling beëindigde het UWV in maart 2018 de ZW-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor andere functies. Vervolgens ontving appellant een WW-uitkering en verrichtte tijdelijk taxiwerk. In september 2020 meldde appellant zich ziek met diverse klachten, maar een arts verklaarde hem geschikt voor zijn taxiwerk en geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 3 september 2020.
Appellant maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure, waarin hij stelde dat hij niet geschikt was vanwege medische beperkingen en dat het UWV zijn situatie onvoldoende serieus had genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen objectief waren beoordeeld. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel en wees het verzoek om een deskundige af.
De Raad paste het toetsingskader toe waarbij ‘zijn arbeid’ wordt gedefinieerd als het laatst verrichte werk gecombineerd met de geselecteerde functies uit de eerstejaars ZW-beoordeling. Uit de medische rapporten bleek dat appellant ondanks enkele beperkingen geschikt was voor deze arbeid. De Raad concludeerde dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 3 september 2020 wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor zijn arbeid.