Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:701

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2016
Publicatiedatum
2 maart 2016
Zaaknummer
14/4398 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie zonder deugdelijke grond

Appellante kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor haar werkneemster die sinds augustus 2011 ziek was. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken, wat bij appellante tot bezwaar leidde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen deugdelijke grond was voor de onvoldoende re-integratie.

Appellante stelde in hoger beroep dat de bezwaarprocedure niet conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was verlopen, met name vanwege de rol van de Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC). De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin de rol van de BLLC is toegelicht en oordeelt dat het UWV niet in strijd met de Awb heeft gehandeld.

De Raad concludeert dat de loonsanctie terecht is gehandhaafd en dat het bezwaarproces adequaat was. Er is geen reden om het besluit te vernietigen of anderszins te wijzigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie wordt gehandhaafd en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

14/4398 WIA
Datum uitspraak: 2 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
30 juni 2014, 13/9335 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.T.J.A. Klijn hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 9 augustus 2011 heeft [naam] , werkneemster van appellante, zich ziekgemeld. Op 16 mei 2013 heeft werkneemster een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het Uwv het tijdvak, waarin werkneemster jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de normale loondoorbetalingsverplichting van 104 weken, op de grond dat door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Bij besluit van 28 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juni 2013 ongegrond verklaard en de opgelegde loonsanctie gehandhaafd.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht en is niet gebleken dat het besluitvormingsproces tot het opleggen van een loonsanctie strijdig is met de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellante heeft zich niet met de uitspraak van de rechtbank kunnen verenigen. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat de heroverweging in bezwaar niet conform de Awb heeft plaatsgevonden. De bezwaarprocedure die het Uwv hanteert in geschillen over een loondoorbetalingsverplichting, waarbij toezicht bestaat op de uitkomst van de bezwaarprocedure door een commissie die eveneens toezicht houdt op de aanvankelijke beslissing om een loondoorbetalingsverplichting op te leggen, verhoudt zich naar het oordeel van appellante niet met de bepalingen van de Awb.
4. De Raad beperkt zich tot wat in hoger beroep is aangevoerd en komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraken van 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1718, en 18 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4053, heeft de Raad de door het Uwv beschreven rol weergegeven van de zogenoemde Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) in het geval de bezwaargronden aanleiding geven om een beslissing over een al dan niet opgelegde loonsanctie te herroepen. Dat volgens het Uwv advisering door de BLLC niet nodig is als op grond van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken wordt geconcludeerd tot handhaving van het primaire besluit, heeft in die zaken niet geleid tot het oordeel dat sprake was van strijdigheid met de Awb. De situatie van appellante, waarin op grond van het onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is geconcludeerd tot handhaving van het besluit van 20 juni 2013, geeft geen aanleiding over de rol van de BLLC nu anders te oordelen. Van een handelen van het Uwv in strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb is geen sprake geweest.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) H.J. Dekker

AP