ECLI:NL:CRVB:2015:1718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een besluit van het UWV waarin een loonsanctie werd opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een arbeidsongeschikte werknemer. Het UWV had op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA vastgesteld dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht om de werknemer passend werk te bieden.
De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de werkgever beroep in bij de rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde. In hoger beroep beperkte de werkgever zich tot twee beroepsgronden: onduidelijkheid over de advisering door de Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) en de stelling dat de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter onredelijke eisen stellen aan re-integratie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de rol van de BLLC correct heeft toegelicht en dat advisering door de BLLC in deze zaak niet nodig was. De Raad bevestigde dat het besluit van het UWV deugdelijk is gemotiveerd en dat geen strijd is met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook werd bevestigd dat de Beleidsregels niet in strijd zijn met de Wet WIA en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
De Raad concludeerde dat de beroepsgronden van de werkgever niet slagen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de loonsanctie wordt gehandhaafd.