Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2016
Publicatiedatum
2 maart 2016
Zaaknummer
14/6170 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Regeling subsidies AWBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende gespecificeerde facturen

Appellante ontving in 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor stelde het pgb vast op €12.860,-, waarvan €7.382,48 verantwoord werd en €5.227,52 moest worden terugbetaald. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard vanwege gebrekkige verantwoording.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de facturen van zorgverleners onvoldoende gespecificeerd waren en niet voldeden aan de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Betalingen konden niet worden herleid tot de facturen, en er was geen zorgplicht voor het Zorgkantoor om de administratie van appellante over te nemen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelde vast dat de facturen van de zorgverleners ZvT, [M.] en [P.A.] onvoldoende specificatie bevatten, betalingen niet overeenkwamen met de facturen en dat er geen sprake was van slechts geringe onvolkomenheden. Hierdoor was de lagere vaststelling en terugvordering terecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb wegens onvoldoende gespecificeerde facturen.

Uitspraak

14/6170 AWBZ
Datum uitspraak: 2 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
3 oktober 2014, 14/1229 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Mercanoğlu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Mercanoğlu. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.H.C. Gielen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.
1.1.
Appellante ontving over het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 28 januari 2014 het pgb over 2013 vastgesteld. Hierbij heeft het Zorgkantoor vastgesteld dat een pgb van € 12.860,- aan appellante is toegekend, dat zij een bedrag van € 7.382,48 heeft verantwoord en dat zij een bedrag van
€ 5.227,52 aan het Zorgkantoor moet terugbetalen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat uit de door appellante verstrekte stukken ter verantwoording van het pgb is gebleken dat deze zodanige gebreken vertonen, dat het Zorgkantoor de verantwoording niet accepteert. Omdat appellante door het maken van bezwaar niet in een nadeliger positie gebracht mag worden, blijft het al geaccepteerde bedrag van € 7.382,48 gehandhaafd. De weging van de belangen van appellante en van het Zorgkantoor heeft het Zorgkantoor niet tot een andere uitkomst gebracht. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verantwoording van het pgb gebreken vertoont en dat niet is voldaan aan de verplichtingen neergelegd in de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Appellante kon voor het voeren van haar pgb-administratie de hulp van een derde inroepen. Anders dan appellante meent, heeft het Zorgkantoor in dat verband geen zorgplicht. Na afweging van de betrokken belangen heeft het Zorgkantoor tot het bestreden besluit kunnen komen.
3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep bestreden.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
4.2.1.
In geschil is de verantwoording van de in het jaar 2013 door appellante gemaakte zorgkosten voor zorgverleners [ZvT] (ZvT),
[M.] ([M.]) en [P.A].
4.2.2.
De facturen van ZvT zijn onvoldoende gespecificeerd en brengen ook huishoudelijke zorg in rekening. De totaalbedragen van de facturen komen niet overeen met het verantwoorde bedrag, ook niet als uitsluitend van de gefactureerde bedragen voor Begeleiding Individueel (BI) wordt uitgegaan. Verder zijn in bezwaar andere facturen overgelegd dan in beroep. Ten slotte zijn de door appellante verrichte betalingen niet te herleiden tot de facturen.
4.2.3.
Ook de facturen van [M.] zijn onvoldoende gespecificeerd. Uit de betalingen door appellante van € 7.000,- aan [M.] en € 550,- aan [K.] is niet op te maken waarop deze betrekking hebben. Deze betalingen zijn verder verricht vóór facturering.
4.2.4.
Ten slotte zijn ook de facturen van [P.A] onvoldoende gespecificeerd. Niet duidelijk is hoe het totaalbedrag van de facturen zich verhoudt met de betalingen en met het in bezwaar verantwoorde bedrag.
4.3.
De verantwoording van het pgb vertoont daarmee gebreken en daarom heeft appellante niet voldaan aan de verplichtingen opgenomen in de Rsa. Er is geen sprake van onvolkomenheden waaraan slechts geringe betekenis toekomt. Het Zorgkantoor heeft bij afweging van de betrokken belangen tot de lagere vaststelling en terugvordering kunnen komen. Het door appellante gestelde feit dat de zorginstellingen de verantwoordingen verzorgden maakt dit niet anders.
5.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden niet slagen en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) J.W.L. van der Loo

TM