ECLI:NL:CRVB:2016:785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde zelfstandige inkomsten
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en had toestemming om bescheiden zelfstandige werkzaamheden te verrichten. Na stillegging en hervatting van deze werkzaamheden meldde zij haar inkomsten niet aan het college. Het college herzag daarop de bijstand, trok deze gedeeltelijk in en vorderde een bedrag van €4.971,07 terug wegens niet gemelde inkomsten.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde onder meer aan dat zij de inlichtingenplicht niet bewust had geschonden, dat bedrijfskosten in mindering gebracht hadden moeten worden en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht objectief is en dat het niet melden van inkomsten een schending vormt, ongeacht opzet. Volgens vaste rechtspraak mogen bedrijfskosten niet in mindering worden gebracht bij de vaststelling van het inkomen. Ook waren er geen dringende redenen aanwezig die een uitzondering op de terugvordering rechtvaardigen. De kwalificatie van de vordering als fraudevordering werd door het college ingetrokken, waardoor appellante niet in een slechtere positie kwam. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde zelfstandige inkomsten zonder toepassing van bedrijfskosten en zonder dringende redenen.