ECLI:NL:CRVB:2016:897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning aanvullende bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellanten ontvingen bijstand tot 26 september 2011 en werkten vanaf 1 mei 2013, waarna het college de bijstand beëindigde. Na werkloosheid vroeg appellant WW-uitkering aan en vervolgens aanvullende bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2013. Het college kende bijstand toe vanaf 28 november 2013, de datum van melding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het collegebesluit ongegrond. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het college onzorgvuldig had gehandeld, waardoor zij zeven maanden met een inkomen onder bijstandsniveau zaten en dat terugwerkende kracht gerechtvaardigd was.
De Raad oordeelde dat voor de periode vóór de melding geen terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Appellanten stelden geen nieuwe feiten of omstandigheden vast en konden geen bijzondere omstandigheden aantonen. De stelling dat zij door het college werden afgehouden van een aanvraag werd niet onderbouwd.
Daarom is het college niet verplicht terugwerkende kracht te verlenen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de datum van melding, niet met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2013.