4.4.De Raad is met de rechtbank en het college, en anders dan appellanten, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de periodes in geding beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante, in de periode van 25 december 2010 tot 1 september 2011 op het [adres 4] en in de periode van 23 mei 2012 tot 1 november 2012 op het [adres 3].
Periode 25 december 2010 tot 1 september 2011
4.4.1.Appellant heeft tegenover de sociale recherche onder meer verklaard dat hij, appellante en haar zoon vanaf het [adres 4] naar het [adres 3] zijn verhuisd, dat hij en appellante eerst via internet contact hadden en dat hij geleidelijk aan meer op het [adres 4] is gekomen. Hij verklaart vervolgens geen idee te hebben wanneer hij op het [adres 4] is gaan wonen. Na te zijn geconfronteerd met het gegeven dat hij in 2010 samen met zijn familie en appellante kerstmis heeft gevierd bij zijn jongste broer en dat in januari 2011 zijn ouders de verjaardag van [Y.], de zoon van appellant, hebben gevierd op het [adres 4], heeft appellant toegegeven dat hij in ieder geval vanaf kerstmis 2010 met appellante heeft samengewoond. Appellante heeft verklaard dat zij en appellant al samenwoonden toen zij op het [adres 4] woonde.
4.4.2.Appellanten hebben aangevoerd dat appellant tijdens het tweede verhoor onder invloed van zijn medicatie onjuiste verklaringen heeft afgelegd over zijn woonsituatie in de hier aan de orde zijnde periode. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellanten niet hebben onderbouwd dat en in welk opzicht de medicatie van appellant zijn verklaringen tijdens dat verhoor hebben beïnvloed. Bovendien heeft appellant aan het begin van het tweede verhoor verklaard, op de vraag of hij zijn medicijnen heeft gehad: “Ik heb gisteravond mijn medicijnen gehad”, en op de vraag of hij in staat is om te worden gehoord: “Ik ben wel helder denk ik”. Dat de verklaringen van appellant over het samenwonen op het [adres 4] niet juist zijn, hebben appellanten wel gesteld maar niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Appellant kan dan ook worden gehouden aan deze verklaringen, die zijn opgetekend in op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal.
4.4.3.Bovendien vinden de in 4.4.1 weergegeven verklaringen van appellant, anders dan appellanten stellen, steun in de verklaringen die de moeder en de broer van appellant als getuigen tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. De moeder van appellant heeft verklaard dat appellant en [Y.] een tijdje op het [adres 1] hebben gewoond, dat appellanten toen een relatie kregen, gingen samenwonen op het [adres 4] en daarna een woning kregen op het [adres 3]. De moeder van appellant heeft verder verklaard dat zij in januari 2011 op de verjaardag van [Y.] op het [adres 4] is geweest, dat appellant in ieder geval tijdens kerstmis 2010 op het [adres 4] woonde en dat zij weet dat hij toen daadwerkelijk op dit adres woonde, omdat appellant in ieder geval niet bij zijn ouders woonde. De broer van appellant heeft verklaard dat appellant tijdens kerstmis 2010 al bij appellante woonde en niet meer bij zijn ouders, dat appellanten op het [adres 4] woonden en dat hij ook aanwezig was bij de viering van de verjaardag van [Y.] op dit adres.
4.4.4.Appellanten hebben in hoger beroep een verklaring van een medewerker van het bedrijf WMS/Brumata van 28 juli 2015 ingebracht, inhoudende dat “m.b.t. de meterstanden van de watermeter” wordt gezien dat appellante op het [adres 4] in de periode van 30 juni 2010 tot het einde van de huur op 27 augustus 2011 61,2 m3 water heeft verbruikt. Volgens appellanten komt dit verbruik overeen met het verbruik van één volwassene met een kind, wat erop duidt dat appellant in de periode van 25 december 2010 tot 1 september 2011 niet verbleef op het [adres 4].
4.4.5.Reeds in het licht van de verklaringen van appellanten zelf en de verklaringen van de moeder en de broer van appellante, komt aan de verklaring van 28 juli 2015 over het waterverbruik op het [adres 4] geen doorslaggevende betekenis toe.
Periode 23 mei 2012 tot 1 november 2012
4.4.6.Appellant heeft tijdens zijn eerste verhoor tegenover de sociale recherche verklaard dat hij slechts een paar weken bij de ouders van appellante heeft gewoond en dat het klopt dat hij het merendeel van de week alweer bij appellante verbleef toen hij en appellante in september 2012 een weekje op Texel waren. Tijdens zijn tweede verhoor heeft appellant verklaard dat hij in de periode dat hij bij de ouders van appellante stond ingeschreven het merendeel van de week bij appellante verbleef, dat hij voor de inschrijving wel iets betaalde, zo ongeveer
€ 250,- “handje contantje”, maar wel het merendeel van de tijd bij appellante verbleef, en dat hij geen sleutel van de woning van de ouders van appellante had.
4.4.7.Ook voor deze periode geldt, onder verwijzing naar 4.4.2, dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellant niet kan worden gehouden aan zijn in 4.4.6 weergegeven verklaringen.
4.4.8.Appellanten hebben er nog op gewezen dat de ouders van appellante hebben verklaard dat appellant wel degelijk heeft gewoond op het [adres 2].
4.4.9.De ouders van appellante hebben, kort weergegeven, verklaard dat appellant bij hen een kamer huurde voor € 325,- per maand, dat appellant in de periode van 23 mei 2012 tot 1 november 2012 overdag veel weg was, maar wel elke nacht op het [adres 2] sliep, en dat appellant een sleutel van de woning op dit adres had. Aan deze verklaringen komt echter, in het licht van wat appellant zelf heeft verklaard, in samenhang bezien met wat de buurtbewoners van het [adres 3] hebben verklaard over de woonsituatie op dat adres, niet die betekenis toe die appellanten daaraan toegekend wensen te zien. Deze buurtbewoners hebben onafhankelijk van elkaar, kort samengevat weergegeven, verklaard dat appellant, behoudens een periode van zes weken, altijd op het [adres 3] heeft gewoond. Niet valt in te zien dat en waarom zou moeten worden aangenomen dat, zoals de vader van appellante heeft verklaard, appellant en de buurtbewoners van de Kastanjestraat hebben gelogen over de woonsituatie van appellant. Veeleer valt te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de ouders van appellante, nu zij, gevraagd naar de woonsituatie van appellant ten tijde van het verhoor op 30 oktober 2013, hebben verklaard dat appellant wel eens op visite komt bij appellante, af en toe bij haar logeert en bij zijn vader woont, terwijl vaststaat dat appellant op dat moment woonde op het [adres 3].