Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2016
Publicatiedatum
21 maart 2016
Zaaknummer
15/1491 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor babyuitzet wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een babyuitzet, waaronder een babywagen, bed, commode en verzorgingsartikelen. Het college wees de aanvraag af omdat deze kosten niet als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan werden beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet had kunnen reserveren omdat zij voorafgaand aan de aanvraag geen inkomen had. De Raad oordeelde dat de kosten van een babyuitzet incidenteel en algemeen noodzakelijk zijn en in principe uit de bijstandsnorm voldaan moeten worden, bijvoorbeeld door reservering of gespreide betaling.

De Raad stelde vast dat appellante van juli 2012 tot juni 2013 bijstand ontving van Amsterdam en daarna bijstand heeft aangevraagd in Almere. Zij had dus ongeveer zes maanden de tijd om te reserveren. Dit was voldoende tijd en er waren geen bijzondere omstandigheden die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

15/1491 WWB
Datum uitspraak: 22 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
26 januari 2015, 14/2757 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.R. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 28 juni 2013, voor zover hier van belang, een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een babywagen, een bed, een commode en verzorgingsartikelen (babyuitzet) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.
1.2.
Bij besluit van 15 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat deze kosten geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een babyuitzet, omdat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag niet over een inkomen beschikte.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke in beginsel uit de bijstandsnorm dienen te worden voldaan, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Vanaf het moment dat appellante zwanger was, kon zij voorzien dat zij kosten voor een babyuitzet zou moeten maken. Zij had dan ook voor deze kosten kunnen reserveren. Voorts is niet gebleken dat zij deze kosten niet kon betalen door middel van gespreide betaling achteraf. Van hogere kosten dan normaal is niet gebleken.
4.4.
De stelling van appellante dat zij geruime tijd voor haar aanvraag geen inkomen had waardoor zij niet kon reserveren voor de kosten van een babyuitzet, slaagt niet. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante van 17 juli 2012 tot en met 10 juni 2013 bijstand van de gemeente Amsterdam ontving. In verband met een verhuizing naar Almere heeft appellante op 25 juni 2013 een aanvraag om bijstand bij het college ingediend. Dat het college aan appellante eerst met ingang van 2 januari 2014 bijstand had toegekend, neemt niet weg dat appellante, zoals zij zelf in beroep heeft aangegeven, ongeveer zes maanden de tijd had om voor de babyuitzet te reserveren uit de bijstand die zij ontving van de gemeente Amsterdam. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze periode te kort was om voor de kosten van de babyuitzet waarvoor zij bijzondere bijstand heeft gevraagd te kunnen reserveren. Met het college en de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.2.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en
M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD