Uitspraak
16.3672 AW
21 april 2016, 15/3893 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam sinds 1983 bij de Erasmus Universiteit Rotterdam, verzocht om herindeling van zijn functieprofiel en maakte bezwaar tegen de opheffing van zijn functie in het kader van een reorganisatie. Het college van bestuur wees het verzoek om terug te komen op een eerder indelingsbesluit af, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd die een wijziging rechtvaardigen.
Appellant voerde aan dat beleidsnota's en eigen tellingen van UHD-functies met uiteenlopende doelgroepen nieuw bewijs vormden, maar de Raad oordeelde dat deze niet als nieuw of relevant konden worden beschouwd. Tevens stelde appellant dat het opheffingsbesluit in strijd was met internationale verdragsbepalingen over academische vrijheid en medezeggenschap, maar de Raad verwierp dit betoog en benadrukte dat het college bevoegd was tot het besluit binnen de wettelijke kaders.
Verder stelde appellant dat slechts een deel van zijn werkzaamheden was verdwenen, waardoor geen sprake zou zijn van opheffing van de functie. De Raad oordeelde dat de reorganisatiekeuze om specifieke expertise te waarborgen leidde tot opheffing van zijn functie, ongeacht het aandeel van de werkzaamheden. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot opheffing van de functie wordt bevestigd.