Uitspraak
24 juni 2015, 15/615 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was laatstelijk werkzaam als telefoniste/receptioniste en meldde zich ziek op 16 augustus 2012. Het UWV stelde bij besluit van 9 juli 2014 vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 december 2014 ongegrond werd verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde op basis van medische rapporten een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin de beperkingen van appellante werden vastgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was geweest. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij zich in 2015 onder behandeling van een acupuncturist had gesteld. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkbaarheid van appellante afdoende had gemotiveerd en dat het rapport van de revalidatiearts was meegewogen. Nieuwe medische informatie werd niet ingebracht.
De arbeidskundige rapporten bevestigden dat appellante in staat was de geselecteerde functies te verrichten, die inhoudelijk verschillen van haar vorige functie. Het hoger beroep slaagde niet, zodat de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar belastbaarheid niet is overschat en zij de geselecteerde functies kan verrichten.