Uitspraak
18 juni 2015, 15/780 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante werkte sinds 1 april 2007 als medewerker fastfood en meldde zich op 31 januari 2008 ziek. Zij diende meerdere aanvragen in voor een WIA-uitkering waarbij zij stelde sinds respectievelijk 26 januari 2009 en 27 januari 2008 arbeidsongeschikt te zijn. Het UWV stelde echter vast dat appellante geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt was geweest, wat een vereiste is voor toekenning van de WIA-uitkering.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van het UWV ongegrond en oordeelde dat de eerste ziektedag terecht was vastgesteld op 27 januari 2008. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanaf 26 januari 2009 arbeidsongeschikt was, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante tussen 9 september 2008 en januari 2009 in staat was haar eigen arbeid te verrichten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen en bevestigde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering omdat zij niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante geen WIA-uitkering krijgt wegens het ontbreken van een onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid.