ECLI:NL:CRVB:2017:1079
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke AOR-uitkering wegens onvoldoende oorlogsgerelateerde arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1944 in Nederlands-Indië, vroeg in maart 2013 een periodieke uitkering op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR) aan. Verweerder erkende psychische klachten als oorlogsletsel, maar stelde dat deze niet in die mate oorlogsgerelateerd waren dat sprake was van arbeidsongeschiktheid volgens de AOR, waardoor de uitkering werd geweigerd. Ook werd een verzoek om huishoudelijke hulp afgewezen, hoewel later een primaire beslissing werd genomen om huishoudelijke hulp toe te kennen.
De Raad baseerde zich op medische adviezen van twee artsen die concludeerden dat de psychische klachten slechts een beperkte invaliditeit van maximaal 10% aan oorlogsgeweld toeschreven, onvoldoende voor arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde aan dat de medische beoordeling onjuist was, onder meer vanwege een vermeende verschrijving en de gezinsomstandigheden, maar deze argumenten werden niet gevolgd.
Verder werd het bezwaar tegen de gescheiden behandeling van huishoudelijke hulp afgewezen, omdat de vastgestelde borstkanker na de oorspronkelijke aanvraag een nieuwe medische situatie vormde. De Raad verklaarde het beroep ongegrond.
Ten slotte werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met ruim acht maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,-, waarvan €750,- ten laste van verweerder en €250,- ten laste van de Staat der Nederlanden werd toegekend. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de periodieke AOR-uitkering wordt ongegrond verklaard, met een schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.