ECLI:NL:CRVB:2017:116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, terwijl uit onderzoek bleek dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. De gemeente Vlagtwedde stelde dit vast na anonieme meldingen en uitgebreid onderzoek, waaronder waarnemingen, huisbezoeken en verklaringen van buurtbewoners.
Het college besloot de bijstand van appellante op te schorten en later in te trekken, met terugvordering van de kosten over de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2014. Ook werd het bedrag mede van appellant teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld, maar de Raad oordeelde dat het college voldoende feiten had verzameld om aan te tonen dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigde dat appellanten hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door gezamenlijke huishoudelijke taken en wederzijdse ondersteuning.
De Raad concludeerde dat appellante ten onrechte geen melding had gemaakt van de gezamenlijke huishouding en dat het college daarom terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.