ECLI:NL:CRVB:2017:1196

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
15/8532 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging maatschappelijke opvangvergoeding op grond van Wmo

Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college kende een vergoeding van €450,- per maand toe, gebaseerd op het gemeentelijke Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV). Appellant maakte bezwaar tegen het besluit om deze vergoeding niet te verhogen, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, verwijzend naar het koppelingsbeginsel en het ontbreken van een schending van artikel 8 EVRM Pro. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het toegekende bedrag van €450,- toereikend is en dat het college niet verplicht is tot het verstrekken van een hogere vergoeding.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 maart 2017.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het college om de maatschappelijke opvangvergoeding te verhogen wordt bevestigd.

Uitspraak

15/8532 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2015, 15/1839 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 29 maart 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/8532, 15/7810, 15/7811, 15/7468, 16/4629 en 14/4753 heeft gevoegd plaatsgehad op 15 maart 2017. Namens appellant is verschenen
mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.T. ’t Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Op 28 februari 2014 heeft appellant een aanvraag gedaan om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.3.
Bij besluit van 24 november 2014 heeft het college bepaald dat de reeds aan appellant toegekende bijdrage uit het gemeentelijke Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV) van € 450,- per maand, op grond van de Wmo wordt toegekend.
1.4.
Bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij overwogen dat de toekenning van € 450,- per maand is gebaseerd op het beleid en dat geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Over de duur van de vergoeding heeft het college overwogen dat appellant aanspraak blijft houden op de vergoeding zo lang hij voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar het koppelingsbeginsel en op de grond dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het college heeft aan appellant onverplicht een bijdrage verstrekt uit het FGV.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vast staat dat appellant tijdens de periode in geding een bedrag van € 450,- per maand heeft ontvangen voor kosten van onderdak en levensonderhoud. De Raad begrijpt het bestreden besluit als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening van € 450,- te verhogen.
4.2.
Nog daargelaten de vraag of het college op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en de mate van kwetsbaarheid van appellant verplicht is om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo te verstrekken, geldt dat, zo hiervan wel sprake is, het bedrag van € 450,- dat is toegekend in ieder geval toereikend is. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van
4.3.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van het hoger beroep wordt niet toegekomen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans

KP