Appellant was werkzaam als exportmedewerker en meldde zich op 16 november 2015 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek door verzekeringsartsen vast dat appellant geschikt was voor zijn arbeid en weigerde de ZW-uitkering per 16 november 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV terecht afzag van een hoorzitting en het medisch onderzoek zorgvuldig was. Appellant bracht in hoger beroep medische verklaringen in, maar kon niet aannemelijk maken dat hij ongeschikt was voor zijn werk.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, bevestigde dat het medisch onderzoek voldoende was en dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.