Uitspraak
15.2906 WWB
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds 1979 bijstand, die in 2013 werd ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht na een doorzoeking waarbij aanzienlijke contante bedragen werden aangetroffen. Na intrekking dienden zij opnieuw een aanvraag in, maar stelden het college deze buiten behandeling omdat niet alle gevraagde bankafschriften werden overgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij alle relevante gegevens hadden verstrekt en dat het college de aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen. De Raad oordeelde dat de financiële situatie essentieel is voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat het college gerechtigd was aanvullende gegevens te vragen over de periode voorafgaand aan de aanvraag.
Omdat appellanten niet alle gevraagde bankafschriften binnen de hersteltermijn hadden ingediend en geen geldige reden hadden voor het niet overleggen, was het college bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet overleggen van alle gevraagde bankafschriften.