Uitspraak
27 juli 2015, 15/138 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, gescheiden maar met gezamenlijke kinderen, ontvingen bijstand als alleenstaande ouder en alleenstaande, terwijl zij vanaf 7 juni 2011 een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Na een anonieme melding onderzocht het college de situatie via sociale recherche, getuigenverklaringen en observaties. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten het bestaan van een gezamenlijke huishouding en stelden dat de bewijslast bij het college lag. De Raad oordeelde dat de verklaringen van buren en observaties voldoende feitelijke grondslag boden om het gezamenlijke hoofdverblijf op het uitkeringsadres vast te stellen.
Daarnaast verrichtte appellant op geld waardeerbare werkzaamheden zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand over de periode 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.