ECLI:NL:CRVB:2017:1487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-duurzame arbeidsongeschiktheid Wajong-uitkering
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende haar een uitkering toe, maar stelde dat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt was omdat er nog behandelmogelijkheden waren die mogelijk herstel konden brengen. De rechtbank stelde het beroep van appellante deels gegrond maar bevestigde dat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep betwistte appellante dit standpunt en stelde dat zij vanaf 6 december 2013 duurzaam arbeidsongeschikt was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht niet van duurzame arbeidsongeschiktheid uitging. Uit medische verklaringen bleek dat behandelingen nog werden geprobeerd en dat het resultaat daarvan moest worden afgewacht.
Het rapport van 5 januari 2017, waarin werd gesteld dat appellante blijvend geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had, werd niet gevolgd omdat dit rapport zich retrospectief richtte op de periode 2013-2016 en onvoldoende bewijs bood dat op 6 december 2013 sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. De Raad benadrukte dat het begrip 'duurzaamheid' strikt moet worden geïnterpreteerd en alleen geldt als geen enkele mogelijkheid tot arbeidsparticipatie bestaat, nu of in de toekomst.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.